Nog

In de auto luister ik naar het nieuws. In minder dan twee minuten krijg je de ‘headlines’ te horen van wat er speelt in de wereld. De hoofdlijnen krijgen een vervolg met de verkeersinformatie. Niet meer in kilometers, maar in minuten. Afstanden tellen niet meer, tijd des te meer. En er is veel vertraging vanwege wat ongevallen in combinatie met de aanvang van de meivakantie.

Mijn gedachten dwalen af naar die gezinnen die in een volgepakte auto met nog honderden kilometers voor de boeg na een kwartier al in de file staan. Vanaf de achterbank komt de zeurderige standaardvraag “Hoe lang duurt het nog?”

Gelukkig is mijn autorit aan het begin van de meivakantie niet zo spannend. Ik rij gewoon naar huis. Er staan examens voor de deur en dat betekent dit jaar geen meivakantie. Voor mij voelt thuis – zeker nu we net verhuisd zijn – toch al als vakantie. De weidse polder geeft rust en dat kan ik goed gebruiken na de zoveelste drukke week.

Maar als ik de deur opendoe, val ik midden in een geweldscene uit een natuurfilm. Eén van de jonge katten zit grommend en blazend in een hoekje achter de houtkachel. Twee herderskoppen zijn gefocust op een klein zwart mormel. De Hollander blaft hoog en de Duitse piept. Mijn vrouw houdt beide wolven in hun nekvel op afstand. “Hoe lang duurt het nog,” vroeg ik, “eer ze er een hebben doodgebeten?” Het antwoord blijft uit en de roedel verdwijnt achter de schuifdeuren in de hal. De katten verstoppen zich en de rust keert weer in de polder.

Ik lees nog wat in de krant en ga me verkleden. Het Bruinisser Visserskoor bestaat 25 jaar en viert dat in de Grote Kerk in Zierikzee. Daar ga ik heen. Intussen ravotten de kleine katten weer alsof de boze wolven niet bestaan.

Kittens zijn een soort van experimentele mini-katten. Al het gedrag zit er in, maar de interactie met de omgeving moet nog gemaakt worden. Hoe groot is het verschil met een mensenbaby. Vanwege een te groot hoofd moet een baby in een onvoltooid embryonaal stadium de baarmoeder verlaten. Een mens kan vlak na zijn geboorte alleen maar huilen en van melk poep en plas maken. Een kitten kan na een paar weken lopen, eten, drinken, grommen, blazen, spinnen. Het duurt jaren eer de mensenbaby kan wat een kat na enkele weken al kan.

Deze jaren, zeg maar de eerste vijftien tot twintig jaar, noem ik voor deze column de ‘al-fase’. Ouders moedigen hun koters aan om steeds een stapje hoger op de opvoedladder te komen. “Geef niet op, want je kunt het al!” Kruipen, zitten en de eerste stapjes, gevolgd door woordjes en wc-plassen. En iedere keer roemt de trotse pa of ma dat zoon- of dochterlief het AL kan. Tegen de tijd dat je als kind je middelbare schoolexamen met succes (AL) hebt afgerond – zakken, opgeven of enig ander falen hoort niet bij de al-fase – gaat deze fase langzaam over in volwassenheid en gaan ze (AL) de deur uit. Zelf ben ik al een poosje de deur uit en zit dus al heel lang niet meer in de al-fase. Ik krijg zelfs het gevoel dat ik beetje bij beetje in de ‘nog-fase’ terecht kom.

In de Nieuwe Kerk is een plekje voor mij gereserveerd. Ik kijk naar de mannen van het koor en de streepjesjurk van de dirigente. De liedjes gaan over het water, vis en mossels. In de pauze schud ik de hand van een oude kennis. Hij heeft veel voor zijn kiezen gehad. Ik zwijg en we kijken naar boven.

Het plafond hangt vol met allemaal spijkerbroeken. De broekspijpen hangen naar beneden. Een voor een mogen we op een krukje gaan staan en een broek vastpakken. Het krukje wordt onder je vandaan gehaald en de bedoeling is dat je zo lang mogelijk met je handen de broekspijpen vasthoudt en blijft hangen. Ik zie dat mijn kennis al een poosje hangt.

Hangend aan je spijkerbroek zit je in de nog-fase. Als je in de nog-fase iets presteert wat je normaliter in de al-fase doet, bijvoorbeeld een examen halen, zeggen ze dat je voor jouw doen NOG goed kunt leren. Als je de marathon loopt, dat je NOG goed kunt hardlopen. Zijn het de ouders die in de al-fase de kinderen aanmoedigen, zo zijn het de kinderen die in de nog-fase de ouders aanmoedigen.

“Hup pa, niet opgeven je kan het nog.” Maar als spijkerbroekhanger voel je langzaam je handen verkrampen en de pijn heviger branden. Om je heen zie je nog veel meer spijkerbroekhangers. Na verloop van jaren komen er steeds meer bij. Je vrouw en familie, je vrienden en bekenden. Soms laat er een los. En iedereen blijft roepen. “Geef niet op, je kunt het nog.” Maar steeds meer hangers laten los.

Van mijn oude kennis zijn er al velen weggevallen. Hij houdt nog stug vast maar weet dat ook hij uiteindelijk los moet laten. Ik kijk hem aan en zie hem denken: “Hoe lang duurt het nog?”