Opstaan

Het gezang van de merels maakt abrupt een einde aan mijn droom van de spijkerbroeken en het touwtje. Het is al licht maar te vroeg om uit bed te gaan. De mzi-opsta-tijden zijn voor mij verleden tijd. Als ik om een uur of negen op het gemeentehuis ben, is dat vroeg genoeg. Buiten is het net zo stil als gisteren tijdens de twee minuten. En net als gisteren zingen de vogels. Zij kennen geen morgen of gisteren. In gedachten zie ik de oude trillende hand en val weer in slaap. Een wekkerende telefoon dwingt me een uurtje later uit de nacht in de dag.

Van Patricia heb ik een boekje gekregen. “Waar kom jij ’s ochtend je bed voor uit…?” Dat is niet de titel, maar die vraag staat op de achterkant. Het gaat onder meer over de reden van je bestaan. Heel wat jaartjes geleden heb ik deze vraag, hoewel iets anders geformuleerd, vele malen gesteld de morning-after een avondje lekker doorzakken. “Wie bin’k in wat doe’k ier?”

Een nog andere formulering is vraag 1 uit de katholieke schoolkatechismus: “Waartoe zijn wij op aarde?” Het antwoord luidt: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn”. Het schijnt dat het woordje ‘hier’ er later aan is toegevoegd. De schepping, en voor anderen het resultaat van evolutie, is toch te mooi om ‘hier’ geen geluk na te mogen streven?

Het boekje leest snel en ik heb het voor de helft uit. Het gaat over oude Japanse honderdjarigen. Dat ze weinig eten, wel vis, sommigen geen vlees, weinig alcohol en nooit maar dan ook nooit met pensioen gaan. Ze werken op het land en zorgen dat de talloze tempels en tempeltjes vrij zijn van onkruid en afval. Tijdens mijn vakantie vorig najaar heb ik er met bewondering naar gekeken. Op de knietjes besteedden zij aandacht aan elke vierkante centimeter die onder hun handen schoon werd. En het waren vele centimeters en het karwei leek eindeloos groot. Aan hun middel hing een rond koperen bakje met gaatjes waar zo nu en dan een wolkje rook uitkwam. Ik denk om ongedierte weg te houden of zo iets. En ondanks de vele meters die ze nog moesten maken, kreeg elke vierkante centimeter de aandacht alsof het hun eerste en gelijk hun laatste was.

Japan is een mooi land met mooie mensen. En kennelijk kun je er dus heel oud worden. Dat wil zeggen, als je dus maar weinig eet, de juiste dingen naar binnen werkt en niet met pensioen gaat. Dat laatste – niet met pensioen – gaan is een manier om niet aan de vraag van de achterkant van het boekje toe te komen. Want als je moet werken ga je jezelf niet afvragen waar je de volgende morgen voor uit bed komt. Niet dan?

Overigens is de vraag naar de reden van het opstaan een luxe-probleem op proberen te lossen. De vraag veronderstelt dat je een keuze hebt. Veel mensen zouden niets liever willen dan deze keuze maken. Mensen die wonen in de brandhaarden en hongerregio’s ver van ons rijke Japan en Europa, Europa waar in sommige streken de mensen ook heel oud kunnen worden overigens. Dit zijn de ‘pechgevallen’ die alleen nog aan de spijkerbroek kunnen klampen in de hoop dat er nog een (wellicht laatste) morgen komt. Laat staan dat er behalve overleven nog een reden zou zijn om op te staan.

Maar dichterbij zijn er ook mensen die zich dagelijks afvragen wat ze hier nog doen en het liefste de spijkerbroek los zouden laten. Zij vullen de digitale kaartenbakken van de talloze instellingen die ons landje rijk is. Ze vullen ook de kaartenbakken van onze gemeente en hoewel het niet mijn portefeuille is, voel ik wel de verantwoordelijkheid. Ook zij overleven zonder dat er verder nog een reden is om op te staan.

Ik zou zo graag willen dat al die mensen – ver en dichtbij – zich zouden afvragen waar ze de volgende morgen voor uit bed willen komen om dat vervolgens ook daadwerkelijk te kunnen doen.

Normaliter geef ik wel een positieve draai aan mijn columns, maar ik weet nu niet hoe.

Beneden klinkt een cd van de Rolling Stones met het nummer Angie.

“With no loving in our souls and no money in our coats – You can’t say we’re satisfied – But Angie, Angie – you can’t say we never tried”.

Buiten gaat de zon bijna onder achter ‘dun Ouwendiek’. De wind is gaan liggen. De Stones zijn bezig aan het laatste couplet. “But Angie , Angie, ain’t it good to be alive? – Angie, Angie, – they can’t say we never tried”.

De zon is inmiddels achter dun Ouwendiek weggezakt en maakt plaats voor een kleurenpalet aan de horizon. Een palet van gekleurd licht waarmee ik straks mijn dromen mag gaan schilderen tegen de schillen van mijn ogen.

Is er een reden om op te staan als je geen liefde in je ziel kent of geld in je jas? Het zijn alleen maar vragen aan Angie. “But Angie, Angie, ain’t it good to be alive?” Is het niet gewoon goed genoeg om te beseffen dat je leeft, dat je kunt vragen. Vragen stellen aan de oude hand, de oude mensen uit het Japanse boek, de pechvogels van ver en dichtbij, aan de fluitende vogels van het vroege uur.

Het is tijd om te dromen en te vragen. Waarom wil JIJ morgen opstaan?